Jacobsladder 1984-1



 
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+ DE JACOBSLADDER                                   +
+ Orgaan van de                                     +
+ Historische Vereniging                            +
+ "0tto Cornelis van HemessenĒ                      +
+ te                                                +
+ Woubrugge                                         +
+                                                   + 
+                                                   + 
+                                                   +
+                             4e jaargang, nummer 1 +
+                             januari 1984          +
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
  
Jacobsladder 1984-1 blz -1- DE JAC0BSLADDER 4e jaargang, nummer 1 januari 1984 Tweemaandelijkse uitgave van de Historische Vereniging "0tto Cornelis van HemessenĒ te Woubrugge Opgericht: 12 juni 1979 - Beschermheer : D. Brouwer de Koning. burgemeester van Woubrugge Redaktie : Wim Korteling en Hans van der Wereld Stencilwerk : C. Kroon Bestuur : H.J. Bosman, voorzitter, Dokter Lothlaan 22, 2431 AC Woubrugge, tel. 01729--8807; H. van der Wereld, secretaris, Acaciastraat 26, 2404 VB Alphen aan den Rijn; R.Heemskerk DŁker,penningmeester Boddens Hosangweg 94 2481 CB Woubrugge W.Korteling,bestuurslid, Emmalaan 4,2481 BA Woubrugge G.J. Keyser, bestuurslid, Leidse Slootweg 4, 2481 KH Woubrugge; Contributie: f 12,50 per jaar, te voldoen op onze rekening bij de Rabobank te Woubrugge, nr.3524.14847 giro: 95108. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Aan de bestuurstafel

In dit eerste nummer van "De Jacobsladder" van alweer de vierde jaar gang beginnen we traditiegetrouw met een aantal "zakelijke mededelingen". Begin januari hebben Herman Bosman en Wim Korteling in Sleeuwijk een bezoek gebracht aan de heer J.M. Timmer. Deze kleinzoon van O.C. van Hemessen bood ons onlangs een paar fraaie scheepsmodellen aan, afkomstig uit de familie van Van Hemessen. Ze zijn gemaakt in het begin van de vorige eeuw. We hebben twee modellen ontvangen, waarvan een groot exemplaar in een vitrine. De scheepjes zullen na restauratie te zijner tijd te zien zijn in het Museum "Van Hemessen". Zoals we op de avond van 24 januari tijdens de lezing over polders in de gemeente Woubrugge al bekend maakten, zal op maandag 12 maart een avond in Hoogmade worden gehouden. Deze lezing zal in het teken staan van restauratie van oude gebouwen en daarom gehouden worden in de Neder1andse hervormde kerk. De kerkvoogdij stelde graag zijn kerk beschikbaar, omdat op deze avond ook zal worden ingegaan op de komende restauratie van dit uit 1729 daterende gebouw. Het bestuur doet hierbij een beroep op leden die een auto hebben om mensen die niet over eigen vervoer beschikken deze mee te laten rijden. Wilt u uiterlijk vrijdagavond 9 maart laten weten of u met uw auto naar Hoogmade gaat? En willen leden, die mee willen rijden dat ook laten weten? Het bestuur kan dan regelen dat een ieder opeen gemakkelijke manier in Hoogmade komt. Wilt u bellen naar de volgende nummers: 01729-8807 (H. Bosman) of 01729-9361 (W. Korteling). De verkoop van het boek "Het witte huis aan de wetering" is erg goed geweest. Er zijn nog enige exemplaren en wie er alsnog een (of meer) wil hebben kan terecht bij de bestuursleden (zie voor de adressen hierboven). Bovendien zijn de boeken Ö f 10 verkrijgbaar in het Museum "Van Hemessen", 's zaterdags van 10.00 tot 12.00 uur. In verband met komende actuele data bereiden we de uitgave van twee omvangrijke boekjes voor. Dit jaar bestaat onze vereniging vijf jaar
Jacobsladder 1984-1 blz -2- en op 1 augustus a.s. zal het precies honderd jaar geleden zijn dat Otto Cornelis van Hemessen veldwachter in Woubrugge werd. Daarom zal er een zeer uitgebreide biografie van hem verschijnen, voorzien van veel onbekende en nooit eerder gepubliceerde illustraties uit het familiearchief Van Hemessen. We zoeken momenteel naar een mogelijkheid om dat boekje gedrukt uit te geven. In 1985 is het tweehonderdvijftig jaar geleden dat Ds. A. Comrie in Woubrugge predikant werd. Ook over deze beroemde kanselredenaar zullen we een boekje uitgeven, eveneens voorzien van veel illustraties. De mogelijkheid zal worden onderzocht om over Ds. Comrie ook een lezing te houden, mogelijk in de kerk aan de naar hem genoemde kade, waar hij van 1735 tot 1772 werkzaam was. Is 1984 een "Van-Hemessenjaar", 1985 wordt een Comrie-jaar! Bij de opening van de antiekboerderij "De Klaverweyde" in Hoogmade deed eigenaar Joop van Leeuwen het gemeentebestuur een paar zeer fraaie 17e eeuwse tegels cadeau. Deze waren tevoorschijn gekomen bij de restauratie van zijn antiekboerderij. Ze zijn te zien in het Museum "Van Hemessen"; loop er op een zaterdagmorgen eens binnen. U bent er van harte welkom! Kent u nog verhalen van vroeger over Woubrugge of Hoogmade? Schrijf ze ons! We zullen ze graag publiceren in dit blad. In het volgende nummer kunt u een verhaal tegemoet zien over.een 19de-eeuwse baggerman uit ons dorp. Het ziet er naar uit dat dit de laatste Jacobsladder is met een gestencilde omslag. Dank zij de zeer gewaardeerde medewerking van een aantal leden/adverteerders wordt een gedrukt omslag nu mogelijk. Er is een ontwerp gemaakt met afbeeldingen van oud-Woubrugge en Hoogmade. Tot slot een bericht uit de burgerlijke stand. Ons bestuurslid Wim Korteling en zijn vrouw Corla Wagenaar werden op 13 december 1983 trotse ouders van een dochter, Rianne Joyce. Wim en Corla, van harte gefeliciteerd! Herman Bosman, voorzitter ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

toch Pieter Post

In de vorige Jacobsladder hebt u kunnen lezen, dat het slecht gesteld is met de toren van de Nederlandse hervormde kerk aan de Comriekade. De restauratie is duur en het kon wel eens lange tijd gaan duren eer het zover is, omdat Monumentenzorg weinig geld meer heeft en een lange wachtlijst. Maar, misschien gaat het toch wel sneller. Misschien is Monumentenzorg wel gevoelig voor de naam van de bekende bouwmeester Pieter Post! Waarvan men altijd al een vermoeden had is nu de waarheid gebleken! Deze markante kerk uit 1653 is wel degelijk door Pieter Post ontworpen. De Leidse studente Nicoline Zemering die in het kader van haar studie meewerkt aan het onderzoek naar het werk van Pieter Post, heeft de rekening voor het ontwerp van de kerk teruggevonden! Pieter Post (1608-1669) was lang een medewerker van Jacob van Campen, in wiens stijl hij verder werkte. Hij heeft o.a. de Waag: in Leiden, het stadhuis in Maastricht en de Waag in Gouda gebouwd. In het Museum "Van Hemessen" bevinden zich nog de tekeningen van de kerk, waarvan we - hoewel er geen naam op staat - gevoegelijk mogen aannemen dat ze van hem zijn. Hopelijk kan deze "ontdekking" bijdragen tot een snelle restauratie van de kerk! WIM KORTELING ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Jacobsladder 1984-1 blz -3-

Familie Witteman

BIJNA HONDERDZESTIG NAZATEN VAN JAN EN JANNETJE WITTEMAN PRAATTEN OP NIEUWJAARSDAG NOG EENS NA. Soms worden in Hoogmade nog verhalen uit de oude doos gehaald. Overgeleverde sproken, waaruit blijkt hoe hoog het voetstuk was waarop eens de priester, de gezalfde, stond. Ze vertellen in Hoogmade natuurlijk wel meer verhalen, maar dit genre is ronduit sterk, en kostelijk. Zo is er de mare van "de brand in Huis te Bancken", ontstaan rond 1900. De oude boerderij aan de Wijde Aa werd door het vuur bedreigd toen de hooiberg op zekere dag in brand geraakte. Nu stond de wind zo, dat de brand van de hooiberg naar de boerderij zou kunnen overslaan. Men haastte zich de parochieherder te hulp te roepen. De pastoor kwam, fluks maar waardig, en ging op de kade vurig staan bidden "om de wind te laten draaien". En zie daar: hij draaide.... verdraaid als het niet waar is! . Dergelijke vertelsels, en nog veel meer, waren op Nieuwjaarsdag te beluisteren in hotel-restaurant Nieuw Minerva aan de Vrouwensteeg in Leiden. Daar kwamen vele tientallen leden van de Hoogmadese familie Witteman in reĀnie bijeen, op instigatie van Jan Uljee die met Herman Bos het directoraat over deze horecavestiging voert. Jan is, via moeder Cor Witteman, geparenteerd met de Wittemannen. Vandaar. Hij wilde al zijn ooms en tantes, neven en nichten, wel eens bij elkaar zien. Zo kwamen zij tezamen, na op het nieuwe jaar gewacht te hebben. Smaakmakers ----------- Toon Witteman en jongste broer Nico, die beiden hun gulden Sporen in het onderwijs hebben verdiend, zijn een paar smaakmakers van deze samenkomst geweest. Toon is bovendien een verteller pur sang en laat Nico, als pragmaticus ook maar rustig schuiven. Op een foto van tachtig jaar geleden staan, vorstelijk poserend en met slechts de gezichten bloot, JanWitteman ui t Hoogmade en Jannetje van Noord van de Hoge Mors in Oegstgeest. Om die twee is alles begonnen. Toon geeft uitleg bij het statieportret van het bruidspaar, zijn vader en moeder. "Hier zie je een foto die kracht uitstraalt, van alles uitdrukt. Twee mensen uit een vervlogen tijd, twee met een hecht ideaal: dit is de dag die de Heer gemaakt heeft, maar ook de dag van ons leven; in trouw aan elkaar gaan wij samen iets groots opbouwen. Daar gingen ze ook echt voor staan, voor dat portret". Nico: "Vader (anno 1867) was rietdekker - inderdaad hebben wij ook een Greetje Dekker, een 'Margareth Thatcher' in de familie - en veevoerhandelaar. Hij woonde in Hoogmade met z'n halfbroer Klaas Witteman (van 1855), in een boerenwoning met smidse; die smederij was van Hillebrand. Jan Witteman was geen jinkie meer en hij begon om een vrouw verlegen te zitten". Toon: "Juist Jan ging 's zaterdags op de fiets voor zaken naar Leiden, Dan kwam-ie ook op de Morsweg bij bakker Hoogeveen die met Jan's zus getrouwd was. Nou, Jannet je van Noord kwam, op die zaterdagen, daar ook, koekjes halen voor de zondag. Toen stond Jan in de winkel en die Jannetje leek hem wel wat. Zo'n frisse, bloeiende deerne, a1s ze was. En Jannetje dacht: grutjes, wat een knappe vent! Maar haar vriendin Marie van der Kleij zei: "Al had je alleen z' n signetten maar vast" - een signet was een hanger van goud die aan een horloge bevestigd was, en Jan had er wel drie hangen op z'n buik. Ja, en Klaas waren vrij rijke middenstanders hoor. Vader kreeg eens 99 gouden tientjes nadat hij het dak van een boerderij met riet gedekt had. Ja, en laat nu die woordspelingen maar achterwege, wil je?" Korten en goed overlegd: Jan en Jannetje trouwden, in Oegstgeest. Er werd een piano in een bedstee getild en daarop begon neef Nico Hoogeveen, broer van de bakker, tevens musicus, te spelen Het moet een mooie bruiloft zijn geweest; helemaal in het zwart. Jan en Jannetje
Jacobsladder 1984-1 blz -4- leefden nog lang en gelukkig en voedden een groot gezin op. Toon, Toin, Antonius: "Vader werd 84 en moeder Jannetje 79; ze hadden negen kinderen, waar er nu nog acht van over en uitgezwermd zijn. In 1906 kocht.vader Jan het oude Rechthuis in Hoogmade. Dat was een cafā met een kolfbaan erbij (nu Huize van der Ploeg) en een kruidenierswinkel; Hillebrand kocht het cafā over!" Pastoor Borsboom ---------------- "Moeder Jannetje", vervolgt Nico, "moeder ging elke morgen naar de kerk. Misschien wel met een boek vol zilverwerk; dat weet ik niet meer. Maar daar had je toen de oude, goedmoedige pastoor C. Borsboom, een zeer consciČntieus man, die niet wilde dat de jonge kinderen in doodzonde leefden, althans in doodzonde de communie ontvingen. Verbeeld je, dat ze niet nuchter waren! Of uit hun neusje hadden gesnoept. En hij was zeer preuts ook. Je kon bij hem biechten zolang je nog geen 15 was of als je de 55 ruimschoots was gepasseerd. In de leeftijdsgroepen daartussen biechtte niemand bij de pastoor, want die kon niet tegen de realiteit op. Daar was de kapelaan goed voor. Maar meneer pastoor hoorde elke ochtend biecht, vĘĘr de Mis van kwart over acht. Dat ging heel langzaam, want pastoor liet niets over z'n kant gaan; de formules kwamen duidelijk en nauwgezet over z'n lippen en geen leugentje liet hij ongestraft. Altijd wel legde hij een mildā penitentie op". "Maar dan zat er een rijtje kinderen op hun beurt te wachten. Heel wat, zeker de misdienaars, kwamen te laat op school. Moeder kon daar niet tegen en bonkte eens op de deur van de biechtstoel: "Pastoor", riep ze, "het is nu tijd voor de Mis!" Want ze had thuis, met dat jonge gezin, nog wel meer te doen. Borsboom kwam toen naar buiten: kwaad, woedend, rood aanlopend, maar hij deed wat Jannetje hem vroeg. Hij vergat het echter alweer gauw, pastoor Borsboom; hij was een beminnelijk mens. Veel pastoors, in die tijd, waren ongewild heilig. En hij hield van opschik, de goede Borsboom. Met de kerstdagen was het bij hem "Chic de Paris". Dan had de pastoor, als een pontifex, met goud geborduurde pantoffels aan, vanwege het feest. Daar pontificeerde hij in, als een bisschop, en heel serieus. Hij hield ook van vermicellisoep met figuurtjes; daar was-ie dol op". "Joh, hou op", houdt Toon z'n jongste broer tegen. Maar Toon zat wel mooi als misdienaartje in het bootje waarmee Ons Heer van de oude naar de nieuwe kerk in Hoogmade werd geroeid. Zo herinneren Toon en Nico Witteman zich een boeiende Hoogmadese jeugd. Toon helemaal; die weet nog de meest pikante onderdelen ervan in zijn geheugen terug te roepen: "De dragers bij begrafenissen hadden witte handschoenen aan, als ze ongehuwden, kinderen en vrijgezellen moesten uitdragen; als de overledene getrouwd was, droegen de dragers zwarte handschoenen. Over grijze handschoenen is niets bekend, want in Hoogmade had je geen dames van lichte zeden, ofschoon ongelukjes wel voorkwamen, maar die werden met vele mantels der liefde bedekt". Ze trouwden, Toon en later Nico, zoals de andere broers en zusters; alleen Piet bleef thuis in de kruidenierszaak. Bosbewakers ----------- Ach, de Wittemannen: inmiddels veertien geslachten die in Rijswijk hun roemrijke wortels hebben. Tweehonderd jaar Rijswijk, honderd jaar Sassenheim en tweehonderd jaar Hoogmade. Dit is zo 'n beetje het verloop, dat begon met stamvader Cornelis de Witteman (bosbewoner, de bosbewaker, het saksische Widukind, Wittekind), begin der 16e eeuw. "Jawel", verzucht nu historie-vaste Toon Witteman afstandelijk, "en dan te bedenken dat toen Michelangelo in de Sixtijnse Kapel op z'n rug geniaal het plafond lag te beschilderen met sybillen, jongelingen, profeten, en wat al niet meer, Cornelis de Bosbewaker in 1508 waarschijnlijk
Jacobsladder 1984-1 blz -5- als tuinder omtrent Rijswijk op z'n knieŽn knollen lag te rooien. Dat is nou een verre grootvader van mij geweest". Die eerste generaties Witteman konden lezen noch schrijven. Als er iets officieels getekend moest worden, signeerden ze met hun "merk", meestal een soort runenachtig kruisje. Daar was, bijvoorbeeld, een Jannetje Witteman die in 1747 door een klerk onderaan de trouwakte erbij liet zetten: "Dit is het merk van Jannetje Witteman, die niet kan schrijven "; en aan de andere zijde naast het kruisje staat:"de bruid". Ook hun boedelbeschrijvingen zijn machtig interessant. Toen lang, heel lang geleden Trijntje, het Delftse begijntje, stierf, liet ze als bejaarde ongehuwde dame, niet onbemiddeld, een ontroerende boedel na. Daar kwamen, onder andere, in voor: "een bed, een peluw, een hooftcussen, twee gardijnen en een rabat, een schoorsteenval, een swarte schoermantel, drie laake lijffies, een swarte saaie mantel, twee dito rokke, twee schotekleden, twaalf kasdoekies, veertig neusdoeken, derthien witte cappen, achtentwintig mutsen, achthien potdoeken, acht santeen, eenentwintig craagen, een paternoster met een silveren penning, achtentwintig boekies, twee calebassen, sesthien schilderijen, soo groot als klein, een speldewerkcussen en enige rommelingen, niet waardig te wesen te specificeren". En er viel ook nog 300 gulden te verdelen, maar daar is geen Witteman rijk van geworden. Op een kluitje. -------------- Jan en Jannetje Witteman zouden, bij leven, een legertje van bijna tweehonderd Wittemannen als hun Hoogmadese nageslacht om zich heen kunnen hebben. Voorwaar niet mis, met dat talrijke kroost. Op Nieuwjaarsdag kwamen voor de familiereĀnie bijna honderdzestig Wittemannen op een kluitje in het riet van het verleden te zitten. Toon en Nico: "Het leek ons gezellig toe, in een fijne sfeer bij elkaar te zijn, even weer 'thuis'. Het zijn allemaal gezinnen met elk een eigen stijl. Dat specifieke wordt toch door de jongeren gewaardeerd". Dan even een lichte tweespalt tussen beide broers. Toon: "Bij ons draaide alles om moeder Jannetje, onder het gezag dat door de Kerk werd aangereikt. Je had in die tijd een enorme invloed van de moeders, die mannen maakten van hun zoons". Nico is het daar niet geheel mee eens: hij legt het accent bij de vader. Er werd op Nieuwjaarsdag heel wat afgepraat door al die Wittemannen van Jan en Jannetje. (Bron: de "Leidse Courant" TON PIETERS
Jacobsladder 1984-1 blz -6-

Heinrich Helmich

Vinder van het lijk Woubrugse moordenaar meldde zich PIET VAN DER HOORN ONTDEKTE HET SKELET VAN HEINRICH HELMICH De uitgave van ons boekje "Een moord op het Braassemermeer" heeft een staartje gekregen. Nadat Ton Pieters er in zijn rubriek "Langs omwegen" in de Leidse Courant van 23 november 1983 de nodige aandacht aan had besteed, kwam op 6 december de heer P.C. van der Hoorn (76)uit Korteraar aan het woord. Hij meldde, dat hij het was die samen met een schoolvriend begin maart 1917, toen hij nog in Oude Wetering woonde, op een goede dag op het voormalige galgenveld "Lange Hendrik" vond. We hebben kontakt gezocht met de heer Van der Hoorn en op 22 december hadden Herman Bosman en Hans van der Wereld een gesprek met hem. Dat onderhoud met de gastvrije Piet van der Hoorn hebben we op de band opgenomen. In zijn eigen woorden vertelde hij nog eens over zijn lugubere herinneringen en ging hij terug naar begin maart 1917. Honderdtwaalf jaar na zijn terechtstelling werd Heinrich Helmich, de "vroeg 19e eeuwse Rijksduitser" zoals Ton Pieters hem betitelde. Luistert u naar Van der Hoorn: Als jongen van een jaar of tien kwam ik heel vaak op de Galgenkade, vanwege het feit dat mijn vader daar vroeger tussen Oude Wetering en Roelofarendsveen een inleggerij had. In de vakantietijd ging ik mijn vader vaak helpen. De Galgenkade was vroeger ternauwernood een fietspaadje. Het eerste stuk is nu verbreed, daar kun je met de auto komen, maar vroeger was dit een smal pad. Bij een bepaalde windrichting spoelde er vaak wrakhout aan. Daar was ik bik op, want mijn moeder had nog een oud fornuis staan, zo' n 'allesbrandertje' zal ik maar zeggen. Ze was wat blij als ik met van die balen hout aan kwam sjouwen. En zo is het dan op een gegeven moment gebeurd, dat ik het bosje van Lange Hendrik inging met een schoolvriend van me. We liepen daar in dat bosje waar vroeger dus die galg heeft gestaan en waar als laatste die Heinrich opgehangen en begraven is. Dat wist iedereen daar wel. Het heet er niet voor niets de Galgenkade. We kwamen aan de rand van het bosje, dat destijds veel groter was. Ik weet nog, dat er een vliesje ijs lag (het was begin maart) en daar zagen we een plank zo'n beetje onder het ijs zitten. We trokken er aan en toen kwam er een nogal lange kist naar boven waaruit bleek dat we met Lange Hendrik te doen hadden. Met dat trekken is het deksel er ook nog grotendeels afgegaan en daar zagen we het geraamte van Lange Hendrik liggen. We zijn ons natuurlijk te pletter geschrokken, als kinderen van een jaar of tien en we hebben gauw de benen genomen". Wat gebeurde er daarna? "Er schijnt ene Han van der Meer naartoe gelopen te zijn. Die heeft de resten in een juten zak gestopt die hij bij zich had. Hij is er de Langeweg mee afgegaan naar Roelofarendsveen. Daar was vroeger alleen maar tuinderij en daar waren ene vader en zoon Hoogenboom aan het werk. Han van der Meer zei: "Nou kunnen jullie nooit raden wat ik in die zak heb zitten". Dat konden ze natuurlijk ook niet en hij zei: "Kom eens kijken, hier heb ik nou Lange Hendrik en er mankeert een rib aan". Han van der Meer bracht het geraamte naar de gemeente. Ik zie nog die zwarte doodskop voor me met de tanden die je nog zag zitten en die lange poten, want het was echt een 1ange kerel hoor", herinnert Van der Hoorn zich. "U moet zich voorstellen, het was een bosje. Er hebben verschillende bomen op gestaan. En dan komt de tand des tijds, het land spoelt zachtjes aan weg en op een gegeven moment zat er geen grond meer boven Lange Hendrik, maar water. Dus die kist is een beetje naar boven ge komen, wat wij als speurders toevallig gezien hebben. En zo hebben we hem er uit getrokken. Dat was niet moeilijk, want de grond lag praktisch gelijk aan het water en wat in het water zit dat geeft nog mee ook. We dachten dat is een goed zootje brandhout! Maar we hebben er niks van meegenomen". HANS VAN DER WERELD
Jacobsladder 1984-1 blz -7-

Wordingsgeschiedenis Herv.Gem. Hoogmade

GREPEN UIT DE WORDINGSGESCHIEDENIS VAN DE NED.HERV.GEM.HOOGMADE 2. PIETER OVERHAAG In ons vorige artikel zagen we dat een van de redenen waarmee Willems op de Synode van 1592 verontschuldigd had dat hij op de bepaalde tijd zijn werk te Hoogmade niet gestaakt had, deze was, dat een ander, die niet al te best bekend stond, er driemaal gepreekt had. Deze ander is zeer waarschijnlijk Pieter Overhaag of Over de Haeghe geweest, die straks zijn opvolger zou worden. Pieter Overhaag, ook heet hij wel Pieter de Zuttere, noemde zich naar de gewoonte van die dagen met een half latijnse, half griekse naam Petrus Hyperphragmus ("hyper" is "over" en "phragmus" betekent "haag") en is een zeer bekend persoon in onze vaderlandse kerkgeschiedenis geweest. Geboortig uit Gent in Belgie, heeft hij veel gereisd, hetgeen deels in zijn woelige, onrustige natuur lag, deels voortkwam uit het feit, dat hij zeer vrijzinnige denkbeelden koesterde, feitelijk bij geen enkele der toenmaals in ons land bestaande geestelijke gemeenschappen aangesloten was en zich door zijn uitdagend optreden overal onmogelijk maakte. Zo was hij van 1560 tot 1573 te Embden in noordoost Duitsland drukker en preekte hij er zo nu en dan ook wel, totdat hij in laatstgenoemd jaar door een prediking de gereformeerden zozeer verbitterde, dat hij weg moest. Hij ging naar Rotterdam, waar de magistraat, die hier evenals elders hen die meer of minder van Gods Woord afweken, dikwijls in bescherming nam, hem in de plaats van een overleden predikant wilde hebben, hetgeen evenwel niet gelukte. Wel trad hij er meer dan eens op totdat hij ook hier door zijn optreden zich onmogelijk maakte. Een tijd lang hield hij zich daarop stil, totdat hij in 1581 weer opdook in zijn vaderstad Gent. Maar ook te Gent, een der bolwerken van de gereformeerden in die dagen, was men allesbehalve tevreden met de wijze waarop Overhaag optrad en hij zag zich nog in 1581 genoodzaakt de stad te verlaten, om er evenwel na veel omzwervingen in 1585 terug te keren. Hoe is nu deze man tenslotte in Hoogmade terecht gekomen? Toen Franco Willems in 1593 door Van Poelgeest zo plotseling was afgezet, woonde Overhaag te Leiden. Hij was reeds een oude man en leefde in armoedige omstandigheden, mede hieruit voortkomende dat zijn gezin bestond uit zijn vrouw en zeven deels nog zeer jonge kinderen. Van die zorgelijke omstandigheden heeft Van Poelgeest gebruik gemaakt toen hij in 1593 spoedig voor een nieuwe predikant moest zorgen en diezelfde omstandigheden hebben waarschijnlijk Overhaag er toe gebracht diens voorstel te aanvaarden en zo onordelijk als het geschieden zou, te Hoogmade in dienst te treden. Want zonder zich ook maar in het minst aan de kerkelijke orde te storen, stelde Van Poelgeest hem tot predikant aan op een jaarwedde van f 250. Wij zullen zien, dat Overhaag hier een jaar en negen maanden tot eind mei 1595 werkzaam was en op een even willekeurige wijze ontslagen werd als hij aangesteld was. Tussen hem en Van Poelgeest was de overeenkomst aangegaan, dat men elkander wederzijds een half jaar tevoren zou waarschuwen in geval men elkanders diensten niet meer verlangde. Toch zou Van Poelgeest hem opeens uitzijn dienst ontslaan zonder dat Overhaag iets meer ontvangen had dan alles te samen f 300, zodat hem nog f 137,50 te vorderen overbleef. Het behoeft ons niet te verwonderen als wij horen dat de mannen van de kerk, toen Overhaag zo geheel buiten hen om, alleen op gezag van Van Poelgeest, de predikantsbediening te Hoogmade aanvaard had, dit met de hoogste afkeuring aanzagen. Hun verontwaardiging was nog te groter omdat het daarenboven een persoon betrof die alles behalve voor de Heilige Dienst gewenst was. Maar de ambachtsheer dreef toch zijn zin door en stoorde zich niet aan hun vertogen. Een half jaar later, het was op 10 mei 1594, vergaderde de classis
Jacobsladder 1984-1 blz -8- van Over-Rijnland te Alphen aan den Rijn en besloot men Overhaag in het bijzijn van Synodale gevolmachtigden rekenschap van zijn gedrag te vragen. Dat men dit in een vergadering van de classis Over-Rijnland deed, was reeds een concessie aan de ambachtsheer, want Hoogmade behoorde toen nog onder Neder-Rijnland. Daags voor die vergadering ontving Overhaag een briefje van Van Poelgeest, waarin duidelijk de toon der hooghartigheid en de minachting voor kerkelijke personen en toestanden klinkt. "Meester Pieter", zo schrijft de ambachtsheer, "volgens ons beslui t van eergisteren, zult gij U morgen te Alphen laten vinden en hooren wat zij (let op die smadelijke aanduiding van "zij", waarmee de kerkelijken genoemd werden) u daar zullen willen zeggen. Indien zij u iets voorhouden, strijdig met mijne rechten, zult gij u op mij beroepen; en spreken zij van het door u af te leggen examen, gij zult hun aandienen, dat ik begeer dat het geschiedde in mijn tegenwoordigheid, met nog een onpartijdige, dien ik daartoe nemen zal.. Wil altijd voor oogen hebben mijn autoriteit en gerechtigheid. Indien zij meenen mochten u aan de classis onderworpen te maken, dat zal ik nimmermeer gedoogen: zij zouden wel langzamerhand trachten hun voeten daarin te krijgen. Maar wij moeten toezien!" Aldus moest aan de mannen der kerk de wet worden gesteld! Welnu, Van Poelgeest heeft over het gedrag van zijn beschermeling tevreden kunnen zijn. Overhaag beriep zich voorde broeders te Alphen aan den Rijn in alles op zijn heer en verwees hen naar hem, met wie zij te spreken hadden. Hij werd er allereerst gevraagd naar zijn aanstelling, maar verschool zich achter Van Poelgeest en beweerde geen bewijs nodig te hebben van zijn wettige beroeping, daar hij tevreden was met zijn "inwendige roeping", die hij zei van God ontvangen te hebben, terwijl hij tevens aanbood deze inwendige roeping krachtig te bewijzen. Hij verklaarde de leer, die door de hervormde dienaars gepredikt werd, goed te keuren en wat de hoofdzaak betreft in te stemmen met de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Heidelbergse catechismus, met uitzondering alleen van enkele punten. Op de vraag of hij zich aan het examen wilde onderwerpen antwoordde hij - overeenkomstig de bevelen van Van Poelgeest - bepaald ontkennend, tenzij in diens tegenwoordigheid. Zo kwam men te Alphen aan den Rijn dus niet veel verder. De classis besloot daarom twee harer leden van een afgevaardigde der synode vergezeld, naar Van Poelgeest af te vaardigen om met hem een samenspraak te houden. Intussen werden van kerkelijke zijden maatregelen genomen om Overhaag op wettige wijze in de kerk te brengen en liet men niet na op de onderscheidene plaatsen informatie over hem in te winnen. Er werd een schrijven gericht tot de Leidse classis om hem voor haar te doen verschijnen om hem te examineren, waarop men nog voor de vergadering te Alphen aan den Rijn plaats had, ten nawoord kreeg dat Hoogmade niet onder die classis, maar tot de classis van Neder-Rijnland behoorde en alzo buiten haar grenzen lag, waarom aan het verzoek niet kon worden voldaan. Daarop wendden de afgevaardigden van de Zuid-Hollandse Synode zich in april 1594 tot de Classis van Neder-Rijnland, die ten antwoord gaf, dat Hoogmade weliswaar tot haar gebied behoorde, maar dat, de leraar in die plaats niet meer dan een maal op haar vergadering verschenen was en dat toen deze daarop attent gemaakt was, hij geantwoord had dat Van Poelgeest niet wilde, dat de predikant te Hoogmade onder deze classis behoorde. Daarna had men de zaak in handen van de Synode gegeven, wier beslissing men moest afwachten. De informatie die men intussen van verschillende plaatsen omtrent Overhaag gekregen had, waren verre van gunstig. Te Rotterdam noemde men hem - zeker om zijn onrustige, woelzieke aard - "Sprongt over de hage" en hij was volgens het getuigenis van een predikant aldaar, "een schadelijke pest der kerk", terwijl toch deze predikant om zijn verdraagzaamheid en gematigdheid bekend stond. Ook het bericht van
Jacobsladder 1984-1 blz -9- zijn handelwijze te Gent kon al heel weinig vertrouwen inboezemen. Men had er veel moeite met hem gehad en hij had er zich onbehoorlijk in de dienst pogen in te dringen. Hij onderging er een examen, maar werd in de leer niet zuiver bevonden. Toen men aldus naar Overhaag informeerde, hoe hij zich vroeger onder de gemeente gedragen had, hoorde men niets, dat er toe aanmoedigen kon om hem in dienst te stellen. Integendeel, verschillende gemeenten en personen waarschuwden voor hem omdat hij opschudding en verwarring bracht. Daarbij was hij een man, die gaarne kwaad sprak en nog te Gent bovendien een slechte naam had, omdat hij een proces tegen zijn eigen broer voerde, waarin hij lelijk te pas was gekomen. Drie maanden later, in augustus 1594, kwam de Synode van Zuid-Holland te Rotterdam bijeen, waar ook de moeilijkheden te Hoogmade ter sprake kwamen. Er werd verslag gedaan van de gedragingen van Pieter Overhaag en van de gesprekken met hem en medegedeeld dat hij onzuiver in de leer en een onrustig en ongeregeld man was. De Synode kwam tot de slotsom dat zo iemand in de Dienst des Woords niet geduld kon worden noch tot een examen om daartoe toegelaten te worden. En om hem nu uit de dienst te weren, werd een deputatie naar Van Poelgeest gezonden om hierover te spreken en als deze daarvan niet wilde weten, besloot men de zaak met de advocaat te overleggen en zich tot de Staten van Holland te wenden. Eindelijk werd nog besloten aan de kerkeraad van Leiden, waar Overhaag zich immers de laatste tijd. had opgehouden, te schrijven om getuigenis aangaande zijn levenswandel. Ook van daar kwam een zeer ongunstig antwoord. Hij was gedurende de tijd, dat hij te Leiden gewoond had, altijd verdacht geweest een onrustige geest en een verstoorder van de kerkelijke vrede te zijn. Hij toonde er zowel schriftelijk als mondeling zijn minachting voor de godsdienst, hield er ergerlijke en lasterlijke gesprekken en was geenszins een aanbevelenswaardig persoon om tot de heilige bediening te worden toegelaten, hoe zeer hij zijn best daar ook voor deed. De misdaden, waarmee hij getracht had de armoede, waartoe hij vervallen was, te verlichten, waren niet altijd van de eerlijkste en hij was onordelijk in het waarnemen van de kerkelijke dienst. Het zou dus ergerlijk zijn, aldus de Leidse kerkeraad, indien zodanig persoon tot de heilige dienst werd toegelaten, die nauwelijks goed genoeg zou geacht worden een burgerlijk ambt te bedienen, te meer omdat bij de ongeregelde mensen altijd aanleiding genoeg gezocht wordt om de predikantsbediening te bespotten en in minachting te brengen. De brief eindigt evenwel met de aanbeveling, hem in zijn grootste armoede bij te staan opdat hij met zijn vrouwen kinderen voor de gehele ondergang bewaard zou worden. Ondertussen had Van Poelgeest, door de Synodale gevolmachtigden aangesproken, ingezien, dat hij Pieter Overhaag niet langer te Hoogmade kon handhaven en te kennen gegeven, dat hij niet begeerde iemand in dienst te houden, die het met de leer van de kerk niet eens was. In mei 1595 is Overhaag dan ook door Van Poelgeest ontslagen, zeker op aanhouden van de Synodale afgevaardigden. Voordat wij nu nagaan hoe het verder in Hoogmade ging, willen wij nog zien hoe het nu verder met Overhaag afliep. De arme man verscheen niet lang na zijn afzetting op de Synode met een drieledig verzoek. Allereerst, dat de Synode bij Van Poelgeest tussen beide wilde komen opdat hem de f 137,50 werd uitbetaald, die hij, naar we eerder zagen, nog toekwam; ten tweede, dat hij mocht geŽxamineerd worden om alzo wettig tot het predikambt te horen en ten derde, dat men hem bij de Staten wilde aanbevelen opdat hij tot zijn indiensttreding onderhouden werd. Wat het lot van zijn verzoek was, is gemakkelijk te vermoeden. De vergadering legde het verzoek naast zich neer, omdat men hem niet alleen onbekwaam maar ook onwaardig tot de kerkedienst oordeelde. Toch voegde de Synode bij dit strenge besluit nog een liefdedaad,
Jacobsladder 1984-1 blz -10- door hem in zijn benarde omstandigheden f36 te schenken, die hij dankbaar aannam. Overhaag had zich intussen ook tot de Staten van Holland, gewend met een verzoekschrift waarin hij meldde, dat hij door Van Poelgeest was afgezet en nu in de grootste armoede verkeerde, waarom hij verzocht dat de Staten hem enigszins onderstand zou geven totdat hij een andere standplaats zou hebben gekregen. De Staten, die blijkbaar op een ander standpunt stonden dan de kerk, meenden hem na al het voorgevallene toch een vrij aanzienlijk bedrag toe te kennen, met de boodschap dat hij zowel als de kerk zo spoedig mogelijk moesten zorgen voor een nieuwe standplaats. Zo was Overhaag dan uit zijn bediening ontzet. Hij vestigde zich in Alphen aan den Rijn en wist zich daar al spoedig de gunst van de predikant en de kerkeraadsleden te verwerven. Hij voelde wel dat hij nu een andere toon moest aanslaan dan hij tot nu gewend was geweest. Door de nood en armoede gedreven legde hij een geloofsbelijdenis af, waarin hij verklaarde het met de leer van de kerk eens te zijn en waarmee hij dus vermoedelijk meer deed dan zijn geweten hem toeliet. Een en ander had tot gevolg dat de kerkeraad van Alphen aan den Rijn hem reeds de dag daarop een vererende attestatie afgaf. Daarin stond dat Overhaag de korte tijd dat hij in Alphen aan den Rijn gewoond had zich "met alle stilheid, gelijk een Christen past" had gedragen en dat men hem een "goed vergenoegen" beleefde. Aan allen, aan wie deze attestatie aangeboden zou worden, werd gebeden hem alle hulp te bewijzen, vooral uit aanmerking van zijn hoge ouderdom en zijn grote huisgezin. De predikant stond hem zelfs de kansel af, hoewel hij tegenwoordig was geweest op de Synode waar Overhaag ontslagen was en dus alles van hem afwist, hetgeen hem dan ook een ernstige vermaning opleverde, gevolgd door een scherpe berisping, dat hij een attestatie had afgegeven ten gunste van diens oprechtheid, geloofsbelijdenis en levenswandel, waarover de afgevaardigden van de Synode zeer verwonderd waren, daar hij nog zo kort geleden door de Synode wegens verscheidene grove dwalingen en fouten veroordeeld was. Wat er verder van Overhaag is geworden, weten wij niet. Hij schijnt zich opnieuw tot de Staten gewend te hebben met het verzoek om geld en de bijvoeging, dat hij gaarne weer in dienst wilde treden. De Staten vroegen toen advies aan de Synode, die besloot, het besluit van de Synode van augustus 1595 mede te delen en hem verder aan te bevelen, niet om in de dienst te komen, maar om rekening te houden met zijn ouderdom, armoede en gezin. Er is aan de geschiedenis van Pieter Overhaap een diep tragische kant en het is te betreuren dat er ook in de eeuw van de hervorming zoveel twist en zo weinig toenadering is geweest. Maar we moeten niet vergeten dat het voor de orde en het voortbestaan van de hervormde kerk een levensvereiste was, dat iemand nooit op wettige wijze tot het predikambt was toegelaten en weigerde zich door een examen de toegang tot de kansel te verschaffen, uit haar midden geweerd werd. De ene Synode hield zich na de andere, vaak in tijden van felle vervolging om een welgeordende hervormde kerk te krijgen. En nu is het zeer verklaarbaar dat zij niet onverschillig kon toezien dat er kwamen, die de eenheid verstoorden en afbraken wat zij met de uiterste zorg zocht op te bouwen. Zij zou zichzelf anders aan ordeloosheid en verwarring, ja, ontbinding, hebben prijsgegeven. (Wordt vervolgd) P. HOFSTEDE
Jacobsladder 1984-1 blz -11- ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gemeentelijke Herindeling 1921

OOK IN 1921 WAS MEN AL TEGEN EEN "BRAASSEMGEMEENTE" Nu de gemeenteraad van Woubrugge in zijn vergadering van 15 december 1983 duidelijk heeft laten weten, dat men het in het geheel niet eens is met de herindelingsplannen, willen we eens teruggaan naar het jaar 1921. 0p 1 februari van dat jaar werd er een vergadering belegd door de AR-kiesvereniging. De hoofdschotel van deze "goedbezochte en opgewekte vergadering", zoals "De Rijnbode" van 4 februari 1921 berichtte, vormde de annexatieplannen. Het bestuur had wethouder A. Wisman aangezocht om over deze materie eens zijn licht te laten schijnen. De reden dat men de heer Wisman had gevraagd om in deze vergadering te komen spreken was het feit dat hem de toestand in zijn kwaliteit als gemeentebestuurder van meer nabij bekend was. In een goed gedocumenteerde lezing gaf wethouder Wisman eerst een juist historisch overzicht van het verleden en de handelingen van het wetgevend gezag daaromtrent. Wisrnan noemde die handelingen "bemoedigend". "Wij moeten", zo zei hij, "als Woubruggenaren ijveren om plaatselijk zelfstandig te blijven en niet meegaan met de landhonger van belanghebbenden". De toenmalige burgemeester van Woubrugge, J.C. Baumann, was een groot voorstander van het samenvoegen van de gemeenten Leimuiden, Rijnsaterwoude en Woubrugge. Wethouder Wisman: "Dat is de prachtfilm, die steeds voor zijn ogen heengaat en van welk moois hij natuurlijk burgemeester is. Doch wij moeten de belangen van personen niet verwarren met zaken en moeten een open oog houden voor de ware belangen der gemeente en haar inwoners". Met afdoende cijfers gaf de wethouder een overzicht van de financiČle posities van de gemeenten Leimuiden, Rijnsaterwoude en Woubrugge, een volledige statistiek van die plaatsen alsmede een geografisch overzicht. Ook vertelde hij, welke enorme uitgaven te verwachten waren bij annexatie. "Laat", zo sprak hij, "onder onze ingezetenen geen verdeeldheid zijn. Worden wij gedwongen tot annexatie, dan is Alphen aan den Rijn (sic!) de aangewezen plaats, waarvan enig heil is te verwachten, zowel geografisch als economisch". De vergadering nam met algemene stemmen een motie aan, waarin gesteld werd dat de AR-kiesvereniging Woubrugge, 104 leden tellend, het beslist gewenst achtte dat de gemeente Woubrugge haar zelfstandigheid zou behouden, verder dat vereniging met de gemeenten Leimuiden, Rijnsaterwoude en Alkemade in strijd zou zijn met het belang van Woubrugge. Deze motie werd opgestuurd naar de Woubrugse gemeenteraad en aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. HANS VAN DER WERELD +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Burgemeester van Wageningen

IK HERINNER MIJ De vorige maal dat aan deze rubriek een plaats werd geboden (vierde vervolg in nr. 5/6 van alweer de derde jaargang van de Ladder) bleken de herinneringen aan brandweer en archief van drie decennia geleden de tegenhangers te vormen van te verrichten restauraties van gebouwen uit vorige eeuwen. Restauraties van keken vulden - waar ook ter wereld - boeken, die in de loop der jaren uitgroeiden tot folianten, die wel nooit uitgelezen zullen zijn. In bedoeld artikel tegenover mijn herinneringen, kwam in de titel zelfs de formulering "ernstig verval" voor. Begrippen als tijdelijke, kleine reparaties
Jacobsladder 1984-1 blz -12- en grote herstelwerkzaamheden streden als het ware om voorrang met gepleegde en te verwachten onderzoeken. Of het bijkomstigheden zijn is er voorts sprake van tonnen. We leven in deze tachtiger jaren in een tijd van "inleveren", van financieel non-possemus, het "stellen van prioriteiten" en van oplopende curven allerwegen. In de tweede helft van de veertiger jaren golden allereerst: woningbouw en wederopbouw, hoewel de kreet "bestedingsbeperking" nog geen gemeengoed was, daarmee werd in een volgend decennium geworsteld. Nog voor die speciale beperking werd onze gemeente geconfronteerd met meer dan noodzakelijke restauraties van de zeventiende-eeuwse kerk te Woubrugge, evenzeer als met het kerkje te Hoogmade, daterend uit 1729. Sterker nog, wanneer over herinneringen wordt gesproken, ze lukten: die restauraties. Op 31 oktober 1951 zag Woubrugge het inwijdingsgebeuren en vlak voor kerstmis 1954 was er in Hoogmade, op 23 december, het feestelijke feit van het weder in gebruik nemen. Omstreeks 1947/1948, toen er naar toe werd geleefd, dat de kerk een volkomen restauratie zou ondergaan, herleefden de verhalen uit 1911. Die verhalen betroffen niet zo zeer de befaamde warme, droge zomer in het gehele land als wel de ingrijpende restauratie van de uit 1653 daterende kerk in de eigen gemeente. Toen, in 1911, werd een miniatuur kerkje op schaal geconstrueerd. Dit zorgvuldig uitgevoerde object maakte na enige jaren deel uit van de kleurrijke optocht, die werd georganiseerd ter gelegenheid van het eeuwfeest 1813-1913 Bevrijding van de Fransen, op foto's vastgelegd. Modernere foto's bewijzen, dat bedoeld miniatuur een onderdeel vormde van de in juli 1963 georganiseerde manifestatie "900 jaar Christendom rond de Brasem ". Dit gebeuren startte enige maanden daarvoor op zeer spectaculaire wijze: een pastoor en een dominee trokken met een draaiorgel door de dorpen, teneinde kas te maken. De laatste fase van het feestelijk Brasem-gebeuren vertoonde waterskiČrs met flambouwen. Tussen begin- en eindpunt trok een bezienswaardige stoet urenlang door de dorpen. We zagen een wagen met een rijdend klokkenspel, een wagen gewijd aan de intocht der Noormannen, een andere gewijd aan de Hoekse en Kabeljauwse Twisten en, voortbewogen door een landbouwtrekker, het kerkje te Woubrugge. Terugkomend op de restauratie in 1950/1951: als weinig anderen kan ik zonder overdrijving verklaren zeer veel details uit de eerste hand te hebben zien gebeuren door de grote ramen, die ruimte gaven aan mijn werkkamer in het oude gemeentehuis. Het waren niet alleen de bouwvakkers, de architect en zijn assistenten, de deskundigen van de Rijksgebouwendienst, maar ook leden van het kerkbestuur, die zich zeer dikwijls ter plaatse op grote oneffenheden bevonden. Onder de laatste groep moge alsnog grote waardering worden uitgedrukt voor de toenmalige presidentkerkvoogd Westdijk sr., die zeker niet meer tot de jongeren behoorde. Belangstellende lezers zullen zich mogelijk afvragen waar de hervormde gemeente des zondags bijeen kwam gedurende de restauratieperiode van juni 1950 tot november 1951. " Samen op weg" een landelijke richtlijn van nu, bestond nog niet in de vijftiger jaren, maar het kon in Woubrugge worden vertoond. Aan de hervormden werd hospitaliteit geboden door de gereformeerden, toen nog in hun noodlokaliteit, oorspronkelijk een rooms-katholiek bedehuis uit Katwijk aan Zee. Naast deze bereidheid tot wekelijkse medewerking, werd de regeling getroffen bij toerbeurt maandelijks het aanvangsuur van half negen aan te houden en de andere kerk te tien uur te doen beginnen. Het normale aanvangsuur van half tien aan te houden en de volgende dienst om elf uur te doen beginnen, zou te moeilijk worden in de gezinnen: rekening houdend met maaltijden, verzorging van het vee en de zondagsschool. Maar in de winter van 1950/1951 om de maand te half
Jacobsladder 1984-1 blz -13- negen in de kerk te zijn was evenmin eenvoudig; de straatverlichting was toen nog aan. Bij de vele onderwerpen, "die behandeld werden bij de opening op de voor protestanten historische datum 31 oktober werd - en dit zeer terecht - oprechte dank en gepaste hulde betuigd aan de gereformeerde kerk, die gastvrijheid verleende, een gastvrijheid, die zestien maanden lang moeite met zich bracht. VAN WAGENINGEN, +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Ter Aar

HISTORISCHE VERENIGING IN TER AAR De culturele vereniging van Ter Aar is ter ziele, maar min of meer als gevolg daarvan kan het dorp zich thans verheugen in de oprichting van een historische vereniging. Wat een opheffingsvergadering moest worden gaf de geboorte van een nieuwe vereniging te zien. Zo gaat dat ineen dorp. De verwachtingen zijn hoog gespannen of deze club wāl zal kunnen overleven. Of er voor een historische vereniging animo is, zal de toekomst moeten leren. En voor de duidelijkheid: "De historische vereniging is er niet om uit te zoeken wanneer er een feestje rond het zoveel jarig bestaan kan worden gevierd", zegt de tijdelijk voorzitter van de vereniging, Ph. H. Vonk. Eind 1981 zette een groepje Teraarders de culturele vereniging op poten. Het ging hier om een tweede poging. Enige jaren daarvoor was al eens eerder geprobeerd een dergelijke vereniging van de grond te krijgen. Deze poging mislukte omdat "de tijd nog niet rijp was". Meer vertrouwen was er eind 1981: "Wij willen graag de cultuur in Ter Aar nieuw leven inblazen. Een agrariČr bijvoorbeeld is 's avonds moe. Dan wil hij vaak niet de moeite nemen om naar Amsterdam te rijden voor een avondje uit. Zo iemand moet terechtkunnen in zijn eigen dorp, in Ter Aar", verkondigde de toenmalige voorzitter M. Maring enthousiast. Enige tijd ge1eden kregen de leden van de culturele vereniging een briefje in de bus waarin de opheffingsvergadering werd aangekondigd. Het enthousiasme van het bestuur en de vrijwilligers was in de achterliggende periode al danig getemperd. De vereniging ontplooide een aantal activiteiten op het gebied van toneel, film en muziek. Vooral voor de kinderen werden er evenementen georganiseerd. Nu is het volgens tijdelijk voorzitter Vonk niet zo dat alle evenementen slecht werden bezocht, maar over het geheel genomen was de opkomst toch zo gering dat de vrijwilligers die veel werk in de organisatie van bepaalde evenementen hadden gestoken, geen eer van hun werk hadden. Dat onbevredigende gevoel werd steeds sterker en leidde uiteindelijk tot de opheffingsvergadering, eind vorig jaar. Historie -------- "In mijn functie als gemeentesecretaris van Ter Aar, ben ik een paar keer benaderd door mensen van buiten de gemeente en door oudere inwoners van het dorp of er geen historische vereniging in Ter Aar kon worden opgericht. Toen ik bericht kreeg dat de culturele vereniging zou worden opgeheven, heb ik de statuten van de vereniging opgevraagd en eens bekeken of een historische vereniging binnen de culturele vereniging mogelijk was. De avond van de opheffingsvergadering was er alleen een petit comitā aanwezig. Ik heb toen mijn plannen ontvouwd. Het bestuur van de culturele vereniging trad af, de bestuursleden hadden er weinig zin in, en ik werd voor zolang tijdelijk voorzitter. Een nieuw bestuur kiezen was natuurlijk wat moeilijk, gezien het geringe aantal mensen. Wel is de penningmeester/secretaris van de vereniging, Jacqueline van der Jagt, aangebleven in dezelfde
Jacobsladder 1984-1 blz -14- hoedanigheid", aldus Vonk. De activiteiten die de vereniging zal ontplooien, zullen voornamelijk op cultuur-historische leest zijn geschoeid "maar het is niet uitgesloten dat er in de toekomst ook een ander evenement wordt georganiseerd", vertelt de voorzitter. Plannen ------- Op de eerste berichten dat er een historische vereniging in Ter Aar is, heeft volgens Vonk een groepje Teraarders spontaan gereageerd. Binnenkort worden de leden van de culturele vereniging aangeschreven of zij ook voor de historische vereniging belangstelling hebben en deze ook middels een lidmaatschap willen blijven steunen. Er wordt gedacht aan een contributie van ongeveer zes gulden per jaar. Bovendien zal de Teraarse bevolking binnenkort via het gemeentelijk blad "De Klaroen" op de hoogte worden gebracht van de nieuwste ontwikkelingen. Op voorhand heeft de historische vereniging reeds enkele gedachten over de opzet van de vereniging. Bij voldoende animo is het volgens Vonk wellicht wenselijk dat de leden zich in verschillende werkgroepjes splitsen. Vonk: "Je kan denken aan een werkgroepje dat een boekje over de geschiedenis van Ter Aar schrijft. Een dergelijk boekje is er namelijk niet. Een werkgroepje dat dia-avonden over het verleden van Ter Aar organiseert, enzovoorts. Verder zou je kunnen denken, maar het blijven gedachten, dat de vereniging zich inzet om bepaalde panden of andere zaken te behouden. En, ik denk in dit verband aan de wipmolen die vroeger in Aardam heeft gestaan, bepaalde zaken terug te halen in het dorp". Plannen heeft de piepjonge historische vereniging genoeg. Want zo wordt er bijvoorbeeld ook gedacht aan het inrichten van een vitrine waarin historische voorwerpen over Ter Aar kunnen worden tentoongesteld. "Voorlopig is het belangrijk", zegt de voorzitter, "dat de mensen weten waar ze terechtkunnen. Dan zal blijken of er voldoende animo voor is. Want het is natuurlijk niet de bedoeling dat de historische vereniging gaat draaien op twee mensen". Tijdelijk voorzitter Vonk is bereikbaar via het telefoonnummer 01722-4048. Bron: "Alphens Dagblad", 14-1-1984) HUUB HIKKE +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Molens

Voorzitter H.J.Verbij (uit Hoogmade) van de Nederlandse Vereniging van Molenmakers: "MOLENS MOETEN HUN OUDE FUNCTIE TERUGKRIJGEN" --------------------------------------------- "Als we molens alleen maar blijven zien als een symbool van een vroegere beschaving, zullen ze vroeg of laat voorgoed verdwijnen. De molen moet weer de economische bestemming krijgen die het werktuig vroeger had". Dit zei voorzitter H.J. Verbij van de Nederlandse vereniging van Molenmakers begin januari bij de overhandiging van een rapport over de ambachtelijke molenmakerij van de Katholieke Hogeschool in Tilburg aan staatssecretaris P.H. van Zeil (Economische Zaken, Midden- en Kleinbedrijf). Verbij stelde dat er alle reden is de toekomst van de molens somber in te zien, met sterk teruglopende subsidies en toenemende concurrentie van aannemers tegenover de ambachtelijke molenmakers. In het rapport staat dat de molenmakers ondernemersgericht moeten gaan denken, anders redden ze het niet. "Nog te veel beschouwen de molenmakers zich als vaklieden, waarbij te weinig wordt ingezien, dat men ook nog een onderneming leidt". Molenmakers zijn altijd tevreden geweest met een mager belegde boterham. Er dreigt een verdere afbraak van de werkgelegenheid in de molenmakerij, een werkgelegenheid die met nog geen honderd banen (in vierendertig bedrijfjes) toch
Jacobsladder 1984-1 blz -15- al erg gering is. Als niks gebeurt, zal het aantal banen volgens het rapport in 1993 tot minder dan de helft gedaald zijn. Er zullen dan ook veel molens sneuvelen. Volgens Verbij is er tien miljoen gulden per jaar nodig om de bijna duizend molens die er nog zijn in stand te houden. Dat aantal was aan het eind van de vorige eeuw overigens nog tien keer zo hoog. "Ondanks alle goede bedoelingen en wettelijke beschermingen en voorschriften wordt een nationaal symbool nu ernstig bedreigd", zo stelt de voorzitter. Verbij, die zich baseert op het rapport, meent dat de molens, hetzij als reserve-gemaal in onze waterhuishouding, hetzij als kleinschalige graanbedrijven, economische mogelijkheden hebben. "En in toeristisch opzicht zijn zij voor ons land van uitzonderlijke betekenis". Hij noemde het hoopvol, dat steeds meer jongeren de molen herwaarderen "als een waarachtig en eerlijk werktuig, op maat gemaakt van de mens, dat prima in deze tijd past. Een groeiend aantal mensen is ook bereid te betalen voor het uitstekende produkt dat de molen levert" Het beleid moet, aldus het rapport, meer op regelmatig onderhoud en minder op restauratiewerkzaamheden gericht zijn. "En om in de toekomst het geld bijeen te krijgen moet er een groter beroep op particulieren gedaan worden". Dat is helemaal in overeenstemming met de visie van staatssecretaris Van Zeil, die nou niet direct met overheidssubsidies voor de molenmakerij loopt te zwaaien. (Bron: "Leidse Courant", 6-1-1984) ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Kerk in de Middeleeuwen

In de 13de eeuw verschoof het overzicht, dat de kerk op de samenleving had uitgeoefend naar de wereldlijke bestuurders. In Engeland en Frankrijk waren dat de koningen en in Italie de steden. Ietwat later volgden de regionale vorsten in Duitsland. Er ontstond een verandering van ideeČn en waarden, die eerst op de kerk gericht, zich sedert de 13de eeuw concentreerden op het vorstelijk bewind. De loyaliteit van het volk ging voortaan uit naar de koningen. Onbewust was de kerk hieraan zelf schuldig, want ze kon de 12de-eeuwse culturele opbloei niet bijbenen. De leiding ervan kwam veelal terecht bij niet-geestelijken. De kerk bemerkte niet, dat de samenleving veranderd was en dat op andere vragen nieuwe antwoorden nodig waren. De kerk was gegroeid in een agrarische wereld en had haar apparaat daarop afgestemd. Op de economische veranderingen - opkomst van handel en nijverheid en de sociale opkomst van de burgerij en weldra de vorming van een proletariaat in de grote industriesteden - had ze alleen maar negatief gereageerd. De seculiere clerus (zie dl. 2) deed vrijwel niets aan het contrast tussen de in luxe levende rijke clerus en het arme stadsproletariaat. Alleen de bedelorden, produkten van hun tijd, probeerden in de noden van de armen te voorzien, waarbij ze door zelf uiterst sober
Jacobsladder 1984-1 blz -16- te leven hun geloofwaardigheid behielden. De ketterijen van Albigenzen en Waldenzen hadden naast een religieus aspect, ook een duidelijk sociaal karakter. Het merendeel van de aanhang bestond uit het "gewone volk" en streefde naar grotere maatschappelijke gelijkheid, een streven waar de officiČle kerk geen oog voor had. De kerk kon zulke bewegingen wel met geweld onderdrukken, maar omdat ze de diepere oorzaken niet onderkende, kon ze die ook niet wegnemen. Het pausdom had zich in discrediet gebracht door een te overvloedig gebruik van haar sancties. Aan de andere kant hadden de maatschappelijke veranderingen een sterker centraal gezag mogelijk gemaakt (leidt bijv. tot Hoekse en Kabeljauwse twisten). Van dit sterker centrale gezag profiteerden de burgerij en steden. De loyaliteit van de mensen ging zich richten op de koningen of steden. Orde en veiligheid namen toe. De rechtspraak van de koninklijke hoven werd geprefereerd boven de plaatselijke en kerkelijke rechtbanken. Het aantal niet-geestelijken, dat in het landsbestuur werd ingeschakeld, nam steeds toe. Hun werk versterkte in wisselwerking het gezag weer. Men begon de koning te zien als iemand, die niemand boven zich had, die in zijn rijk geen gelijke kende: de koning werd soeverein. Dit proces voltrok zich ongemerkt in de 13de eeuw. Omstreeks 1300 werd deze verandering openbaar, toen paus Bonifatius VIII wijken moest voor de koningen van Frankrijk en Engeland. Toen bleek dat de koningen konden rekenen op hun onderdanen än op de geestelijkheid in hun rijk. In een wereld waarin een scheiding van kerk en staat ondenkbaar was, moesten kerk en christenheid zich weer naar de leken schikken. Een periode van verval begon, die pas na de middeleeuwen ongedaan zou kunnen worden gemaakt. WIM KORTELING Literatuur: J.N. Bakhuizen v. d. Brink, Handboek der kerkgeschiedenis, dl. 1 R.W. Southern, Western society and the Church in the middle ages, Harmondsworth Deel 2 van de "Pelican History of Church" W. Nolet en P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de middeleeuwen, Amsterdam, 1951" +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Water, onze zorg

Het Hoogheemraadschap van het Rijnland vroeger en nu De zorg voor het oppervlaktewater in sloten, plassen, vaarten en meren is in het gebied tussen globaal Wassenaar, Velsen, Amsterdam en Gouda toevertrouwd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het begrip "hoogheemraadschap" is al vele eeuwen oud en laat zich vertalen in de functie raad te schaffen bij de verdediging van het eigen land (heem) tegen het hoge omringende water (van zee en rivieren). Lag het accent derhalve aanvankelijk op de waterkering, later werd daarin mee betrokken de waterbeheersing (het op peil houden van de watergangen, de afvoer van overtollig water en de aanvoer van water in tijden van watertekort). Nog later kwam daar de zorg voor de waterkwaliteit bij. Ontginning ---------- Toen de overheersing door de Noormannen in het begin van de 11de eeuw eindigde, bloeide de daadkracht van de toenmalige nog niet talrijke bevolking op. Zij wensten zich betere levensomstandigheden en vonden die in de ontginning van de verder landinwaarts gelegen gronden. Zij vroegen en verkregen daartoe toestemming van de Hollandse graaf, die aan zijn toestemming vaste maten voor de te ontginnen percelen verbond, welke nog steeds kenmerkend zijn voor het aldus ontstane landschap.
Jacobsladder 1984-1 blz -17- Wateroverlast ------------- De met de.ontginning gepaard gaande ontbossing leidde er enerzijds toe, dat het land werd bloot gesteld aan het zonlicht met uitdroging en inklinking als gevolg, waardoor het land tussen de grotere waterlopen als het ware schotelvormig ging liggen. Anderzijds leidde de verminderde waterafname en schotelvorm bij regenval tot wateroverlast. Het was deze wateroverlast die in 1165 de toenmalige Hollandse graaf Floris III verleidde tot afdamming van de Rijn bij Zwammerdam, waardoor hij het naar zijn gebied afstromen van water uit het Sticht (Utrechtse gebied) verhinderde. Het onmiddellijke gevolg was dat zich daar grote wateroverlast voordeed, hetgeen een geschil uitlokte met de wereldlijk heerser aldaar, Godfried van Rhenen, bisschop van Utrecht. Opkomst van het hoogheemraadschap --------------------------------- Het geschil werd uiteindelijk geslecht door Frederik Barbarossa, keizer van het Heilige Roomse Rijk, die last gaf de dam te verwijderen, zij het dat op kosten van het Utrechtse gebied in het Hollandse gebied drie afvoerkanalen en een groot aantal afwateringssluizen moesten worden gemaakt. Uit 1255 is een oorkonde bekend, waarin graaf Willem II van Holland plechtig belooft niet opnieuw werken in of aan de Spaarndammerdijk te zullen toestaan dan met toestemming van dijkgraaf en raadsheren van de Spaarndammerdijk, die heemraden werden genoemd. Het is deze geschiedenis en deze oorkonde, die het begin van de waterstaatkundige regelingen in Rijnland markeren, hoewel die naam Rijnland eerst omstreeks1324 wordt gebruikt, voor wat eerst werd genoemd "het heemraetschap van den Spaarndamme"; een gebied met dezelfde begrenzing als later "Rijnland" zou heten. In de loop der tijd bouwde men het stelsel van afdammingen en waterkeringen uit in de Spaarne en de Amstel, bij Zwammerdam en Leidschendam, enz. Er ontstond een waterkerende ring om het van buiten komende vreemde water doelmatig te kunnen weren. Om het overtollige water te kunnen afleiden, werden er in die ring uitwateringssluizen gebouwd, die bij lage buitenwaterstanden werden geopend en bij hoge buitenwaterstanden werden gesloten. Desalniettemin lag een groot deel van het Rijnlandse gebied in de winter en het vroege voorjaar onder water. Inde loop der eeuwen werd dit systeem verfijnd, totdat binnen de ring een aaneengesloten stelsel van waterlopen ontstond, waarop lagere gronden, die op hun beurt door middel van kaden en dijken waren omringd, hun overtollige water konden bergen. Zo ontstond wat vandaag de dag nog "de boezem van Rijnland" wordt genoemd. De boezem van Rijnland ---------------------- De lagere gronden, aanvankelijk ontstaan uit de eerder genoemde inklinking en later door kunstmatige uitvening en droogmaling, vormden gaandeweg een tweehonderdtal polders, elk met een eigen omringdijk en waterhuishouding. Aanvankelijk werd het overtollige water met behulp van hoosbakken en met door paarden en ossen aangedreven tredmolens afgevoerd, gevolgd door de windmolens en nog veel later door de bemalingsinrichtingen aangedreven door stoommachines, diesel- of electromotoren. De ontginningscontracten zijn bekend onder de naam "Cope" die in plaatsnamen als. Nieuwkoop en Boskoop wordt teruggevonden. In tegenstelling tot wat veel wordt verondersteld, lag het oorspronkelijke land vrij hoog en was dicht bebost. Vrijwel alle plaatsnamen langs de Rijn, van waaruit de ontginning in grote lijnen begon, herinneren aan deze houtrijkdom; vergelijk Hazerswoude, Zoeterwoude , Rijnsaterwoude, Ouds(houts)hoorn (bocht). Holland is dan ook niet de naam voor hol of laag liggend land, maar voor hout (holz) land.
Jacobsladder 1984-1 blz -18- De boezemwaterstand werd door natuurlijke aflating van water via de uitwateringssluizen bij Spaarndam, Halfweg en Gouda beheerst. Reeds in de vroege middeleeuwen was de monding van de Rijn bij Katwijk verzand geraakt om eerst in 1806 met blijvend succes te worden hersteld door middel van een doorgraving van de duinen, afgesloten door een uitwateringssluis. Het op deze wijze beheersen van de waterstand op de boezem vereiste een groot oppervlak aan water om gedurende en na perioden met grote neerslag het overtollige water te kunnen opslaan en gaandeweg bij lagere buitenwaterstanden te kunnen laten afvloeien. Het grote Haarlemmermeer was daarvoor van essentieel belang. Eerst na de uitvinding van de stoommachine was, drooglegging reČel uitvoerbaar, omdat de daarmee verlorengegane bergingsmogelijkheid pas toen kon worden opgevangen door versnelde waterafvoer uit de boezem met behulp van gemalen, die ook bij hoge buitenwaterstanden die afvoer waarborgden en omdat er door de aanleg van eerder genoemde uitwatering bij Katwijk een verbeterde afvoer naar zee tot stand was gekomen. Het Haarlemmermeer werd in 1852 drooggelegd; gelijktijdig of kort daarna werden de stoomgemalen ter beheersing van de boezemwaterstand gebouwd te Spaarndam, Halfweg, Gouda en Katwijk. Het tegenwoordige Rijnland -------------------------- Het beheersgebied van Rijnland is ruim 100.000 ha of 1.000 km2 groot. Het hoogheemraadschap onderhoudt tussen Wassenaar en Velsen plm. 40 km kust. De boezemwateren worden des winters gehouden op een peil tussen NAP minus 0,60m en 0,65m, des zomers 0,05m hoger. Tussen de boezemwateren deels hoogliggend boezemland, dat direct afwatert op de boezem en deels laag liggend polderland, zoals gezegd omsloten door kaden en met eigen waterhuishoudingen en bemalingsinrichtingen. De polders zijn na eeuwenlange zelfstandigheid sedert 1979 administratief ondergebracht in zes zgn. polderwaterschappen, te weten Groot-Haarlemmermeer, De Oude Veenen, De Aarlanden, De Gouwelanden, De Noordplas en De Ommedijck. Voor de zgn. geestgrondpolders direct achter de duinen zijn twee tot de organisatie van het hoogheemraadschap behorende polderafdelingen gesticht, Zuidgeest en Middengeest. De boezem wordt beheerst met behulp van de eerder genoemde boezemgemalen te Spaarndam, Halfweg, Gouda en Katwijk, zij het dat de aanvankelijke stoomgemalen intussen zijn vervangen door moderne dieselgemalen, die tezamen een capaciteit hebben van 150.000 liter per seconde. Waterverversing --------------- Bij Gouda ligt het voornaamste inlaatpunt, waar zoet water aan de Hollandse IJssel kan worden onttrokken om de boezem tijdens droge perioden op peil te kunnen houden en te verversen. Dat is van doorslaggevend belang voor het instandhouden van de functies, die de boezemwateren vervullen met, het oog op de grondwaterbeheersing, de land- en tuinbouw, de bloembollen- en sierbloemencultures, de scheepvaart, de industrie, de recreatie, de drinkwatervoorziening, de landschapsverzorging, enz. Die belangen worden weliswaar door andere overheidsinstellingen behartigd, maar zij zijn daarbij van de water af- en aanvoer afhankelijk. De verversing van het boezemwater raakt het aan het hoogheemraadschap opgedragen waterkwaliteitsbeheer. In de eerste plaats behoort daartoe de bestrijding van de verzilting. Die verzilting is voornamelijk een gevolg van de in de diepe polders optredende kwel van zout water. Een grote handicap is dat het verversingswater wordt ontleend aan de rivier de Rijn, die - naar algemeen bekend is - grote hoeveelheden zout uit de Elzas aanvoert en in droge tijden een chloridegehalte heeft dat ver boven het voor de land- en tuinbouw toelaatbare van globaal 300 mg/liter ligt.
Jacobsladder 1984-1 blz -19- mg/liter ligt. Uiteraard bestrijdt het hoogheemraadschap ook de zoutbronnen binnen zijn gebied en wordt er in samenwerking met rijk, provincies en andere waterschappen naar wegen gezocht voor de aanvoer van zoeter water._ Dat klemt terneer omdat het gebied van het hoogheemraadschap van Delfland (met daarin het Westland) via de Rijnlandse boezem van water moet worden voorzien, omdat directe aanvoer vanuit de Nieuwe Waterweg onaanvaardbaar is geworden. Waterzuivering -------------- De verversing dient ook de bestrijding van de organische verontreiniging, complementair aan het vooreerst zuiveren van het afvalwater, afkomstig van woningen en bedrijven. De totale hoeveelheid afvalwater binnen Rijnland kan worden geschat op 70 tot 100 miljoen liter per etmaal. Dit afvalwater wordt waar dat mogelijk is verzameld in gemeentelijke rioleringsstelsels en daarmee afgevoerd naar rioolwater zuiveringsinrichtingen, welke door het hoogheemraadschap zijn gebouwd of van de gemeenten zijn overgenomen. Met behulp van ruim veertig van deze inrichtingen wordt thans ruim tachtig percent van al het geproduceerde afvalwater gezuiverd alvorens het in boezem- of polderwater wordt afgevoerd om daar onder invloed van het zelfreinigende vermogen van het oppervlaktewater weer te kunnen bijdragen aan de kringloop van levensprocessen. De bouw van zuiveringsinrichtingen is nog niet voltooid en waar nodig zullen de bestaande inrichtingen worden verbeterd en uitgebreid, o.a. voor de fosfaatverwijdering. Bevoegdheden ------------ De publieke bevoegdheden van het hoogheemraadschap zijn vastgelegd in het door de provincie Zuid-Holland en Noord-Holland vastgestelde reglement en de Verordening waterkwaliteit Rijnland ter uitvoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De verplichtingen van de burger m.b.t. de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken liggen vast in de algemene keur en in wetten en verordeningen. Voor werken in of aan de boezemwateren, dijken en kaden, duinen e.d. en voor het lozen van afvalwater is vergunning nodig. De sloten en vaarten dienen door de onderhoudsplichtigen te worden schoongemaakt en op afmetingen te worden gehouden. Er wordt periodiek gecontroleerd of aan deze verplichtingen is voldaan, de zgn. schouw. Bestuur ------- Van oudsher worden de inwoners van een waterschap ingelanden genoemd: zij die land hebben. In het openbare bestuur van het hoogheemraadschap worden zij vertegenwoordigd door gekozen hoofdingelanden. Rijnland heeft een bestuur van dertig hoofdingelanden, van wie er tien worden gekozen door de grondbezitters, tien door de bezitters van woningen en gebouwen, vijf door de gemeenteraden, drie door de Kamers van Koophandel en twee door het Landbouwschap. Dit college maakt een voordracht voor een door de Kroon, te benoemen dagelijks bestuur, bestaande uit de dijkgraaf (voorzitter) en zes hoogheemraden (bestuursleden). Het bestuur wordt bijgestaan door een secretaris-rentmeester en ingenieur-directeur van de technische dienst, die hoofd zijn van de administratieve respectievelijk technische dienst. Deze diensten zijn belast met de voorbereiding en uitvoering van de bestuursbesluiten, kortom met de vertaling van de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken. Kosten ------ Zoals bij elk waterschap worden de kosten van het beheer gedekt door het aan de ingelanden en producenten van afvalwater opleggen van heffingen.
Jacobsladder 1984-1 blz -20- Voor de waterbeheersing en waterkering bedroegen de uitgaven in 1980 afgerond f 20.0000000, waarvoor een omslag werd geheven van f 50,50 per ha land of per herleide ha voor woningen en gebouwen. Voor de waterkwaliteitszorg werd in 1980 afgerond f 50.000.000 uitgegeven, waarvoor een heffing werd opgelegd van f 36 per zgn. vervuilingseenheid. Per woning en bedrijf geldt een aantal vervuilingseenheden. Slot ---- Dit alles is slechts een ruwe, verre van volledige schets van de zorg voor het water in het beheersgebied van Rijnland. Goed water is onze zorg waard! Laten we er zorgvuldig mee omgaan, want zonder water is - om het Europees handvest voor het water te citeren - geen leven mogelijk; het is een kostbaar goed en onontbeerlijk voor alle menselijke activiteiten. H. BOUWMAN ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Opkomst Steden

DE OPKOMST VAN STEDEN IN DE MIDDELEEUWEN De vroege middeleeuwen kenden geen steden in de zin van staatkundige, economische en culturele centra. De Romeinse steden (b.v. Utrecht en Maastricht) waren nog slechts kerkelijke centra, waar de bisschop resideerde. In de onveilige 9de en 10de eeuw was de ommuring van de steden soms vernieuwd om ongewenste Vikingen of Saracenen te kunnen afweren. Volgens het traditionele beeld zochten de kooplui steunpunten om te overwinteren en hun koopwaar op te slaan. Ze kozen hiervoor kruispunten van land- en waterwegen, waar tevens veiligheid geboden werd. Zo werden bisschopssteden, kastelen en ook wel abdijen (b.v. Middelburg), mits economisch gelegen, de plaatsen waar de kooplui zich vestigden. In de koopliedenwijk - in de bronnen gewoonlijk "portus" of "vicus" geheten - hanteerden de nieuwkomers eigen rechtsregels omdat het formalistische, op een agrarische samenleving afgestemde, landrecht voor hen niet geschikt was. Zodra nu dit koopliedenrecht; dat dus eerst alleen voor de kooplui gold, voor de hele agglomeratie - portus en oude stad of kasteel - van kracht werd, noemden we de plaats "stad". De stad onderscheidde zich dus o.a. door de rechtspleging van het platteland. Ook verwierf ze andere privileges. De aard van de privileges is zeer verschillend. Soms moesten de voorrechten van de stadsheer afgedwongen worden. Bekend is, hoe de bewoners van een bisschopsplaats soms samenzwoeren om zonodig met geweld de bisschop tot toegeven te bewegen. Het hiervoor geschetste beeld is misschien wel juist voor steden die al in een vroeg stadium een belangrijke handel kenden, maar de vraag is of het ook zo in meer landelijk gebleven plaatsen is toegegaan. De laatste tientallen jaren is gewezen op de betekenis van de boerengemeenschap voor het stadswordingsproces. Aangestoken door de kooplui hebben de bewoners van de oude plaats zich mee ingezet om voorrechten te verwerven. Het is waarschijnlijk, dat heel wat plaatsen op deze wijze privileges bemachtigd hebben en zo een stad geworden zijn. In een volgende fase hebben de feodale heren - veelal bescheiden-
Jacobsladder 1984-1 blz -21- privileges verleend aan boerengemeenschappen in de hoop dat ze tot een, stad in economische zin zouden uitgroeien. Ook hebben ze om woeste gronden in cultuur te brengen kolonisten naar een bepaalde plek gelokt door ze aantrekkelijke voorrechten aan te bieden (b.v. rond 1100, toen een aantal mensen uit deze streken door aartsbisschop Friederich van Hamburg en Bremen gecontracteerd werden; zie "De Jacobsladder" van juli 1982). Ook zĘ kon een stad ontstaan. Soms mislukte het plannetje. Een "stad" bleef dan economisch bezien toch een dorp. Om van een stad te kunnen spreken werd er van uitgegaan, dat voldaan moest zijn aan een zekere vorm van zelfbestuur. Meestal zegt men, dat eigen rechtspraak en zelfbestuur - het zgn. stadsrecht - de plaats tot stad maken. De vraag is echter, of dit wel zo'n gelukkig criterium is. Zien we naar de feitelijke situatie, dan blijken er enorme verschillen in de mate van vrijheid tussen de steden voor te komen. De Noord-Italiaanse steden werden feitelijk onafhankelijke stadstaten; die in Vlaanderen bezaten eerst grote mate van autonomie, maar kwamen in de late middeleeuwen steeds strakker in het landsheerlijk gareel. In Holland hield de graaf altijd een stevige greep op zijn steden, terwijl er overal steden voorkwamen waar de schepenen en andere bestuurders pure zetbazen waren van de stadsheer. Tenslotte waren er dorpen met privileges, die economisch bezien niet de naam "stad" waard waren. Recent is wel de vraag gesteld of het niet juister zou zijn, pas van een stad te spreken, als er sprake is van een zekere handel en nijverheid en als de stad door een muur omgeven is. Normaliter bezaten zulke plaatsen ook privileges. Het criterium is in deze gedachtegang niet van een institutionele, maar van economische aard. WIM KORTELING Literatuur: The Cambridge Economic History of Europe, deel I, II en III.

Boekbespreking

VAN ROMEIN TOT ALPHENAAR Onlangs verscheen de derde druk van het boek "Van Romein tot Alphenaar" van de hand van H.F. van Zeijl. Deze ras-Alphenaar en fanatiek verzamelaar van alles wat met Alphen aan den Rijn te maken heeft, stuurde de eerste editie van zijn boek in 1978 de wereld in. Binnen enkele weken was de oplage van driehonderd exemplaren uitverkocht. Een jaar later verscheen een tweede, vermeerderde druk en ook deze oplage van driehonderd stuks was snel uitverkocht. Enkele maanden geleden verscheen er een derde oplage van vierhonderd boeken. Deze druk is weer uitgebreider dan de voorgaande. Van Zeijl, die enkele weken na het gereedkomen van zijn succesvolle boek overleed, maakte zijn boeken geheel in eigen beheer. Ze werden in gestencilde vorm uitgegeven. De derde oplage telt 250 pagina's op kwarto formaat. Van Zeijl was geen archiefonderzoeker. Wat hij publiceerde haalde hij uit andere publicaties, zoals oude kranten etc. Hij zegt dat ook duidelijk in zijn inleiding. Het ging hem er om de Alphenaren en andere belangstellenden iets over de geschiedenis van hun woonplaats te vertellen. Zo komen allerlei facetten uit de rijke Alphense geschiedenis naar voren, waarbij hij ook de gemeentedelen Zwammerdam, Oudshoorn en Aarlanderveen niet vergat. Een scala van onderwerpen passeert de revue. Het is jammer dat er nog altijd geen "echt" boek over Alphen aan den Rijn is verschenen. Maar daar gaat verandering in komen. De Alphense historische vereniging heeft plannen om een reeks boekjes uit te gaan geven. Door het succesvolle werk van Van Zeijl is bewezen dat er een
Jacobsladder 1984-1 blz -22 flinke markt bestaat voor boeken over Alphen aan den Rijn. Het is jammer dat Van Zeijl nooit een uitgever voor zijn boek heeft kunnen interesseren. Zijn "Van Romein tot Alphenaar" voorziet dus wel in een behoefte. De prijs is f 25 en het is verkrijgbaar bij boekhandel Haasbeek in de Van Mandersloostraat in Alphen aan den Rijn.

Burgemeesters van Hazerswoude

BURGEMEESTERS VAN HAZERSWOUDE 1813-1983 Van de hand van ons lid C. Kroon verscheen een publicatie over alle burgemeesters die aan het hoofd van Hazerswoude stonden in de periode 1813-1983. Dit op kwarto-formaat gestencilde boekje zag het licht ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester J. ten Heuvelhof op 1 december 1983. Vijftien burgervaderen gingen Ten Heuvelhof voor; Cees Kroon laat ze allemaal de revue passeren en vertelt veel wetenswaardigheden over hen. Voor belangstellenden: het boekje is te verkrijgen bij C. Kroon, Rubenslaan 6, Hazerswoude-dorp.

Rijnbode 1874

In den loop der maand September deden zich bij twee veehouders in de Hoogmadesche en Voorofschen polder gevallen van long-ziekten voor, vijf runderen werden dientengevolge als lijdende aan longziekte afgemaakt, na vooraf te zijn onteigend, terwijl de verdachte runderen ten getalle van 21 op uitnodiging van den Burgemeester allen zijn ingeČnt door den geČxamineerde veearts F. Steijgerwalt te Leiden. ("De Rijnbode", 4-10-1874)

Rijnbode 1874

Een treurig ongeval dompelde Woensdag (25 november) het huisgezin van schipper Nagel alhier in diepen rouw. Zijn circa 19-jarige zoon, die voor het eerst de reis met hem naar Leiden maakte, had op den Rijn aan den Groenendijk het ongeluk over boord te slaan en, niettegenstaande alle pogingen die tot zijn redding werden aangewend, te verdrinken, ("De Rijnbode", 29-11-1874)

Rijnbode 1875

De afdeeling Woubrugge en omstreken der Hollandsche Maatschappij van Landbouw heeft besloten een grasmaaimachine aan te schaffen, speciaal voor de leden, die daaraan geldelijke bijdragen gedaan hebben. Ook anderen zullen er gebruik van kunnen maken. ("De Rijnbode", 28-3--1875) * * *